Overzicht van eisen aan landbouwvoertuigen

3 oktober 2011
In dit overzicht staan de belangrijkste eisen die gesteld worden aan landbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en aanhangwagens. Ook de eisen m.b.t. lading, verwisselbare uitrustingsstukken en markeringen staan erin.

AFMETINGEN EN GEWICHTEN

 

Afmetingen van landbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines (incl. lading en/of verwisselbare uitrustingsstukken)

 

breedte

lengte

hoogte

Landbouwtrekker

3,00 m

12,00 m

4,00 m

Motorrijtuig met beperkte snelheid

2,60 m

12,00 m

4,00 m

Motorrijtuig met beperkte snelheid als rijdend werktuig

3,00 m

12,00 m

4,00 m

Aanhangwagen tot 1 januari 2025

3,00 m

12,00 m

4,00 m

Aanhangwagen na 31 december 2024

2,55 m

12,00 m

4,00 m

Aanhangwagen met brede banden

3,00 m

12,00 m

4,00 m

Verwisselbare getrokken machine (b.v. aardappelrooier)

3,00 m

12,00 m

4,00 m

Landbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid (rijdend werktuig) met aanhangwagens of verwisselbare getrokken machine

3,00 m

18,00 m

4,00 m

 

 

Maximum gewichten en aslasten van landbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, zelfrijdende werktuigen en aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines (incl. lading en/of verwisselbare uitrustingsstukken)

 

gewicht

maximum aslast

 

aangedreven as

niet aange-dreven as

onder één wiel

Landbouwtrekker:
- 2 assen
- 3 assen

18.000 kg 24.000 kg

11.500 kg 11.500 kg

10.000 kg
10.000 kg

-
-

Motorrijtuig met beperkte snelheid

50.000 kg

10.000 kg

10.000 kg

5.000 kg

Motorrijtuig met beperkte snelheid als rijdend werktuig

50.000 kg

12.000 kg

12.000 kg

6.000 kg

Motorrijtuig met beperkte snelheid met metalen rupsbanden

10.000 kg

-

-

-

Aanhangwagen

-

10.000 kg

10.000 kg

5.000 kg

Aanhangwagen met
massieve banden

120 kg per centimeter breedte loopvlak

Landbouwtrekker met beladen aanhangwagens

50.000 kg

11.500 kg

10.000 kg

-

 

 

 

 

 

Motorrijtuig met beperkte snelheid met beladen aanhangwagens

50.000 kg

10.000 kg

10.000 kg

-

Remmen
Landbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een goed werkende reminrichting. Dubbel uitgevoerde rempedalen van landbouwtrekkers moeten op de openbare weg zijn gekoppeld.
Aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines met een gewicht van meer dan
3.500 kg moeten zijn voorzien van een goed werkende reminrichting. Het gaat daarbij om het werkelijke gewicht en niet om de maximum toegestane massa. Een lege aanhangwagen van 3.000 kg hoeft niet geremd te zijn; weegt deze aanhangwagen met lading 4.000 kg dan wel remmen.

VERVOER VAN LADING

Eisen m.b.t. lading:

  • Met inbegrip van lading mag de breedte van landbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en hun aanhangwagens niet meer dan 3,00 m bedragen
  • Lading bestaande uit losse veldgewassen mag niet breder zijn dan 3,50 m
  • Lading mag niet meer dan 1,00 m achter het voertuig uitsteken
  • Lading mag niet meer dan 5,00 m achter de achterste as van het voertuig uitsteken
  • Lading mag niet voor het voertuig uitsteken
  • Lading mag het zicht op verlichting, richtingaanwijzers of retroreflectoren niet belemmeren, tenzij aan de achterzijde van uitstekende lading op gelijke wijze verlichting, richtingaanwijzers of retroreflectoren zijn aangebracht
  • Met inbegrip van lading mag de hoogte van voertuigen niet meer dan 4,00 m bedragen

De lengte van een samenstel van landbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid met aanhangwagens met lading mag met inbegrip van lading met maximaal 1,00 m worden vermeerderd.

Eisen m.b.t. in lengte ondeelbare lading:

  • In lengte ondeelbare lading mag niet meer dan 5,00 m achter de achterste as van het voertuig uitsteken
  • In lengte ondeelbare lading mag niet meer dan 3,50 m voor het hart van het stuurwiel van het voertuig uitsteken

Markering van lading

  • Lading die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteekt moet aan de voor- en achterzijde zijn voorzien van breedtemarkering
  • In lengte ondeelbare lading die voor of meer dan 1,00 m achter het voertuig uitsteekt moet aan de voorzijde dan wel de achterzijde voorzien zijn van lengtemarkering

Ladingzekering (geldt vanaf 1 januari 2014)

  • De lading of delen daarvan moeten zodanig zijn gezekerd dat deze onder normale verkeerssituaties, waaronder begrepen volle remmingen, plotselinge uitwijkmanoeuvres en slecht wegdek, niet van het voertuig kunnen vallen of de stabiliteit van het voertuig in gevaar kunnen brengen. Om hieraan te voldoen moet de lading of delen daarvan minimaal de volgende versnellings- of vertragingskrachten kunnen weerstaan:
    a.in de rijrichting: 0,8 maal het gewicht van de lading;
    b.in de zijwaartse richting: 0,5 maal het gewicht van de lading en bij kantelgevaar 0,6 maal het gewicht van de lading;
    c.in de achterwaarts richting: 0,5 maal het gewicht van de lading;
    In aanvulling hierop moet lading zodanig zijn gezekerd dat deze door opwaartse krachten niet van het voertuig kan vallen.
  • Losse lading die naar haar aard niet op of aan het voertuig bevestigd kan worden, moet deugdelijk zijn afgedekt indien gevaar of hinder ontstaat of kan ontstaan als gevolg van afvallende of wegwaaiende lading.

VERWISSELBARE UITRUSTINGSSTUKKEN

Een verwisselbaar uitrustingsstuk is een inrichting, ontworpen om door een voertuig te worden gedragen of daaraan te worden gekoppeld en waarmee het voertuig een extra functie krijgt. Bijvoorbeeld een zaaimachine in de driepuntshef, een maaier in de fronthef of een maaikorf.

Eisen m.b.t. verwisselbare uitrustingsstukken

  • De breedte van een landbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid met één of meer verwisselbare uitrustingsstukken mag niet meer bedragen dan 3,00 m
  • De lengte van een landbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid met één of meer verwisselbare uitrustingsstukken mag niet meer bedragen dan 12,00 m
  • Verwisselbare uitrustingstukken moeten zoveel mogelijk zijn ingeschoven, ingetrokken dan wel in- of opgeklapt en deugdelijk zijn vergrendeld
  • Er mag geen lading op de verwisselbare uitrustingstukken rusten die niet gerelateerd is aan de functie van het verwisselbare uitrustingsstuk
  • Het zicht op de verlichting, richtingaanwijzers of retroreflectoren aan de voorzijde respectievelijk de achterzijde van het voertuig mag niet worden belemmerd; in dat geval dient aan de voorzijde respectievelijk achterzijde van de verwisselbare uitrustingsstukken op gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting, richtingaanwijzers of retroreflectoren zijn aangebracht
  • Steekt een verwisselbaar uitrustingsstuk in de fronthef meer dan 3,5 meter voor het hart van het stuurwiel uit dan moeten er maatregelen genomen worden om de zichtbeperking op te heffen (spiegels, camera’s of begeleiding).

Markering van verwisselbare uitrustingsstukken

  • Verwisselbare uitrustingsstukken die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteken moet aan de voor- en achterzijde zijn voorzien van breedtemarkering
  • Verwisselbare uitrustingsstukken die voor of meer dan 1,00 m achter het voertuig uitsteken, moet aan de voorzijde dan wel de achterzijde voorzien zijn van een lengtemarkering

Scherpe en uitstekende delen

  • Landbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, lading van voertuigen en verwisselbare uitrustingsstukken mogen geen scherpe delen hebben, die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren
  • Uitstekende delen van landbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, lading van voertuigen en verwisselbare uitrustingstukken, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, moeten zijn afgeschermd
  • Voorgaande bepalingen gelden niet voor scherpe delen, uitstekende delen, lading, verwisselbare uitrustingsstukken of voertuigdelen daarvan, die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden

MARKERINGEN

Eisen m.b.t. markeringsbord voor de lengte

  • Een vierkant bord van ten minste 0,42 m bij 0,42 m, voorzien van parallel lopende diagonale strepen die afwisselend wit en fluorescerend of retroreflecterend rood zijn, en een breedte hebben van niet minder dan 0,07 m en niet meer dan 0,10 m
  • Tenminste één wit respectievelijk rood licht, indien het vervoer bij nacht plaatsvindt
  • Het lengtemarkeringsbord wordt aangebracht in een verticaal vlak loodrecht op de lengte-as van het voertuig, op een hoogte tussen de 0,25 m en 1,90 m boven het wegdek. Indien dit constructietechnisch niet kan, mag het markeringsbord tot 2,30 m hoog worden aangebracht
  • Het witte en het rode licht worden zodanig aan de voorzijde respectievelijk achterzijde van het voertuig aangebracht, dat zij niet meer dan 0,10 m naar binnen staan van het uiteinde van de lading of verwisselbaar uitrustingsstuk
  • Het witte en het rode licht moeten duidelijk zichtbaar zijn voor het tegemoetkomende respectievelijk achteropkomende verkeer

Eisen m.b.t. markeringsbord voor de breedte

  • Een vierkant bord van ten minste 0,42 m bij 0,42 m, of een rechthoekig bord van ten minste 0,28 m bij 0,56 m of 0,14 m bij 0,80 m, voorzien van parallel lopende diagonale strepen die afwisselend wit en fluorescerend of retroreflecterend rood zijn, en een breedte hebben van niet minder dan 0,07 m en niet meer dan 0,10 m
  • Tenminste één wit respectievelijk rood licht, indien het vervoer bij nacht plaats vindt
  • Het breedtemarkeringbord wordt aangebracht in een verticaal vlak loodrecht op de lengte-as van het voertuig, op een hoogte tussen de 0,25 m en 1,90 m boven het wegdek. Indien dit constructietechnisch niet kan, mag het markeringsbord tot 2,30 m hoog worden aangebracht
  • Het breedtemarkeringsbord wordt aan de voor- en achterzijde van de in de breedte uitstekende lading of het verwisselbaar uitrustingsstuk aangebracht, zodanig dat zoveel mogelijk de grootste breedte wordt aangegeven, zonder dat het bord de breedte vergroot
  • Het witte en het rode licht worden zodanig aan de voorzijde onderscheidenlijk achterzijde van het voertuig aangebracht, dat zij zoveel mogelijk de grootste breedte aangeven. De afstand vanaf het breedste punt van de lading of het verwisselbaar uitrustingsstuk tot de lichten bedraagt naar binnen toe niet meer dan 0,10 m
  • Het witte en het rode licht moeten duidelijk zichtbaar zijn voor het tegemoetkomende respectievelijk achteropkomende verkeer

Aanbrengen van het markeringsbord
Het lengte- of breedtemarkeringsbord moeten zodanig zijn aangebracht dat de diagonale strepen schuin naar onderen wijzen in de richting de buitenkant van het voertuig met lading of verwisselbare uitrustingsstukken. Aan de achterzijde wijzen de diagonale strepen van het breedtemarkeringsbord aan de linkerzijde van het voertuig naar linksonder en aan de rechterzijde naar rechtsonder. Aan de voorzijde wijzen de diagonale strepen van het breedtemarkeringsbord aan de rechterzijde van het voertuig naar linksonder en aan de linkerzijde naar rechtsonder. Bij het lengtemarkeringsbord aan de achterzijde moeten de diagonale strepen van rechtsboven naar linksonder wijzen.

Ontheffingen wegbeheerder
Landbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid wijken in de praktijk nogal eens af van de wettelijke afmetingen en gewichten. In de Wegenverkeerswet is vastgelegd dat het mogelijk is om ontheffingen van de wet te verlenen. In de Regeling voertuigen is vastgelegd dat wegbeheerders ontheffing kunnen verlenen van de voor voertuigen geldende permanente eisen zoals de breedte en lengte.

Ontheffingen kunnen worden verstrekt door de vier verschillende wegbeheerders:

  • Het Rijk voor rijkswegen (via de RDW)
  • Gemeenten voor gemeentelijke wegen
  • Provincies voor provinciale wegen
  • Waterschappen voor waterschapswegen

Voor landbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid die breder zijn dan 3,00 meter is een breedteontheffing vereist. Ontheffing tot 3,50 meter wordt door de wegbeheerder normaal gesproken verleend. Wel kunnen hieraan voorwaarden zijn verbonden zoals niet in de spits rijden, niet bij donker of bij mist. Is het voertuig breder dan 3,50 meter dan zijn de eisen veel strenger, zoals begeleiding van het transport of een éénmalige ontheffing.

Bij elke wegbeheerder wiens weg u wilt gebruiken moet u een ontheffing aanvragen. Ongeveer 60 % van de gemeentelijke wegbeheerders heeft de ontheffingverlening voor landbouwvoertuigen gemandateerd aan de RDW afdeling TET (Toelating Exceptioneel Transport) in Zoetermeer, telefoon (079) 345 81 34.

Op de website de RDW kunt u een aanvraagformulier downloaden, invullen en retour mailen. Bij gemeenten en andere wegbeheerders die voor landbouwvoertuigen niet meedoen aan de RDW TET zult u bij de desbetreffende individuele wegbeheerder een ontheffing moeten aanvragen.

In de ontheffing moet staan vermeld

a. de artikelen waarvan ontheffing is verleend dan wel een aanduiding daarvan,
b. de beperkingen waaronder de ontheffing is verleend en de voorschriften die aan de ontheffing zijn verbonden,
c. de datum van afgifte,
d. de geldigheidsduur, en
e. het bevoegd gezag.

Voertuigen die de wettelijke afmetingen overschrijden moeten een geel zwaai-, flits- of knipperlicht voeren dat vanuit alle richtingen te zien is. De bestuurder moet de ontheffing van de wegbeheerder bij zich hebben en aan de handhaver kunnen laten zien. Verstandig is om op het voertuig een kopie van de ontheffing te hebben en het origineel in de eigen administratie te bewaren.

VERLICHTING

Landbouwtrekkers moeten zijn voorzien van:
a. twee dimlichten;
b. twee stadslichten;
c. ten minste twee richtingaanwijzers die naar voren stralen en ten minste twee richtingaanwijzers die naar achteren stralen, alsmede waarschuwingsknipperlichten;
d. twee achterlichten;
e. twee remlichten;
f. twee rode retroreflectoren

Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van:
a. twee dimlichten;
b. twee stadslichten;
c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, alsmede waarschuwingsknipperlichten;
d. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00m;
e. twee achterlichten;
f. twee remlichten;
g. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;
h. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn.

Aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines moeten zijn voorzien van:
a. twee stadslichten indien het voertuig breder is dan 1,60 m;
b. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig;
c. twee achterlichten;
d. twee remlichten;
e. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;
f. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
g. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn;
h. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig breder is dan 2,10 m.

Van de niet-driehoekige ambergele retroreflectoren aan de zijkant moet tenminste één in het middelste derde gedeelte van de aanhangwagen zijn aangebracht. De onderlinge afstand tussen de retroreflectoren mag niet meer dan 3,00 meter bedragen. De afstand van de voorste retroreflector tot de voorzijde van aanhangwagen mag niet meer zijn 3,00 meter.
Bedenk wel dat de voorzijde van de aanhangwagen begint het trekoog van de dissel en niet bij de laadbak. De afstand van de achterste retroreflector tot de achterzijde van de aanhangwagen mag niet meer dan 1,00 meter bedragen.

Afgeknotte driehoek

  • Landbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, hun aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines en wagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van één rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek
  • De afgeknotte driehoek moet in het midden van het voertuig dan wel links van het midden zijn aangebracht op een hoogte van niet minder van 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien dit constructietechnisch niet kan, mag de afgeknotte driehoek tot 2,30 m hoog worden aangebracht
  • Indien het zicht op de afgeknotte driehoek wordt belemmerd door lading of verwisselbare uitrustingsstukken dan moet een afgeknotte driehoek op de lading of verwisselbare uitrustingstukken zijn bevestigd

Zwaai- of knipperlicht
Bij de volgende werkzaamheden of omstandigheden voert een voertuig, indien de kans bestaat dat het voertuig niet tijdig door andere weggebruikers wordt opgemerkt, geel zwaai-, flits- of knipperlicht:

  • het rijden met landbouwtrekkers en motorvoertuigen met beperkte snelheid, of daardoor voortbewogen aanhangwagens, die, met inbegrip van de lading, breder zijn dan 2,60 meter
  • werkzaamheden ten behoeve van wegen, werken of inrichtingen op, aan, in of boven wegen, daaronder begrepen gladheidbestrijding of sneeuwruimen
  • vervoer van ondeelbare lading voor zover het voertuigen betreft waarvoor krachtens de Regeling voertuigen ontheffing is verleend inzake de afmetingen van deze voertuigen of hun lading

Het zwaailicht is zodanig gemonteerd dat het signaal kan worden waargenomen rondom het voertuig vanaf een afstand van 20 m vanaf het voertuig, gemeten op 1,5 m boven het wegdek. Indien het zwaailicht gedeeltelijk wordt afgeschermd door de voertuigconstructie of lading zal er elders op het voertuig een extra zwaailicht moeten zijn gemonteerd.

Maximum snelheid
De maximum snelheid van landbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid op de openbare weg is nog steeds 25 km/u.

De veiligheidsgordel

  • De veiligheidsgordel moet gedragen worden wanneer er op de openbare weg gereden wordt en bij werkzaamheden op taluds.
  • Trekkers moeten voorzien zijn van een veiligheidsgordel met ingang van 01-01-2020.

Handsfree bellen
Voor bestuurders van landbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid is het verboden tijdens het rijden een mobiele telefoon vast te houden. Wie met het voertuig stilstaat of heeft geparkeerd mag wel handmatig gebruik maken van de mobiele telefoon. Het gebruik van mobilofoon of 27 MC-bakkies tijden het rijden is wel toegestaan.

Verzekering
Het is wettelijk verplicht om het voertuig te verzekeren voor schade toegebracht aan derden, de zogenaamde wettelijke aansprakelijkheid. Dit is geregeld in de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen, ook wel WA(m) genoemd. Doel van de WA(m)-verzekering is dat de schadelijdende partij de garantie heeft dat de aansprakelijke veroorzaker de schade ook kan vergoeden. Schade aan het eigen voertuig wordt echter niet gedekt door de WA(m)-verzekering of een WA(m)-brand/diefstalverzekering. Ook schade aan de vervoerde lading of last moet apart worden verzekerd. Schade veroorzaakt door de (afvallende) lading valt wel onder de dekking van de WA(m)-verzekering.

De bestuurder van een landbouwtrekker of een motorrijtuig met beperkte snelheid moet een bewijs van verzekering bij zich hebben, waaruit blijkt dat het voertuig een WA(m)-verzekering heeft.

Het verzekeringsbewijs wordt verstrekt door de verzekeraar. In dit document moeten tenminste de volgende gegevens zijn vermeld:
a. naam en adres van de verzekeraar(s);
b. naam en adres van de verzekeringnemer;
c. dagtekening en jaar van de ingang en van het einde van de dekking;
d. omschrijving van het motorrijtuig.

De WA(m)-verzekering is verplicht voor het rijden op de openbare weg, maar ook voor alle publiek toegankelijke terreinen. Voertuigen die op het eigen erf of op bouwplaatsen rijden moeten dan ook een WA(m)-verzekering hebben.

Auteur: Hero Dijkema