Compensatie voor transitievergoeding controversieel

25 april 2017
Op 27 maart hebben wij u bericht dat het wetsvoorstel compensatie transitievergoeding was ingediend bij de Tweede Kamer. Werkgevers krijgen per 1 januari 2019 géén compensatie voor de transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige ziekte. Het wetsvoorstel dat deze compensatie moet regelen is namelijk controversieel verklaard op 18 april 2017.

Tot deze week was niet zeker of de behandeling van het wetsvoorstel door de Tweede Kamer zou worden uitgesteld. Nu is er duidelijkheid: de Tweede Kamer gaat pas weer met het wetsvoorstel aan de slag als er een nieuw kabinet is. Minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gaf eerder in een Kamerbrief aan wat de gevolgen van deze ‘controversieelverklaring’ zouden zijn. Uitstel van de behandeling van zijn wetsvoorstel zorgt ervoor dat werkgevers niet per 1 januari 2019 een compensatie van de transitievergoeding kunnen krijgen. Mogelijk dat bij behandeling na de kabinetsformatie de ingangsdatum wel 1 juli 2015 blijft maar invoering per 1 januari 2019 zal niet gaan omdat UWV de systemen dan nog niet in orde heeft.
Ook veranderen per 1 januari 2018 de regels voor de cao-vervanging van de transitievergoeding niet.

Toekomst van compensatie transitievergoeding onzeker
Voor werkgevers is het besluit teleurstellend. Zij moeten nu immers nog langer wachten op de beloofde compensatie. Bovendien bestaat de kans dat het wetsvoorstel überhaupt niet door de Eerste of Tweede Kamer komt. Er is kritiek op de wet, onder meer omdat het wetsvoorstel de kern van het probleem niet zou aanpakken, namelijk de hoge kosten bij ziekte. Werkgevers bekostigen de compensatie indirect zelf via een verhoging van de Awf-premie.

Werkgevers die na ontslag wegens langdurige ziekte een transitievergoeding hebben betaald, doen er desondanks goed aan hun administratie over de ontslagen werknemer nog niet weg te gooien. Een werkgever moet later kunnen bewijzen dat hij een transitievergoeding betaald heeft.

Auteur: Jacqueline Tuinenga
Bron: Tweede Kamer